Naar een sociaal basisstelsel voor álle werkenden

Over de sociale zekerheid van zelfstandigen is veel te doen. Of eigenlijk: vooral over het gebrek daaraan dat velen menen op te merken. Ook in de aanloop naar de verkiezingen speelde het onderwerp een rol, en in de formatie zal het ongetwijfeld een punt van bespreking zijn.

De bezorgdheid over die sociale zekerheid van zelfstandigen is voor een deel op-recht en te-recht. Als ondernemers moeten zij immers zelf zorgen dat zij hun risico’s managen. Niet iedere zelfstandige is daarvan doordrongen, en niet iedere zelfstandige die er wel van doordrongen is, slaagt erin dat besef in actie te vertalen.

Maar voor een ander deel is die zorg ook een beetje hypocriet. Denk aan voorstellen om met name zelfstandigen zonder personeel te verplichten zich collectief te verzekeren. Die gaan nogal eens gepaard met de (al dan niet uitgesproken) gedachte dat zzp’ers daardoor duurder worden voor hun opdrachtgevers, zodat die opdrachtgevers er vervolgens eerder voor zullen kiezen om iemand in loondienst te nemen.

Als we sociale zekerheid voor zelfstandigen echt belangrijk vinden en als we echt iets willen regelen op dat gebied, moeten we de discussie zuiver houden en het onderwerp niet gebruiken om arbeidsmarktpolitiek te bedrijven. Maar hoe moet het dan wel?Achtergrond-zekerheid

Eerst even een stapje terug. Laten we om te beginnen vooral niet doen alsof morgen alle zzp’ers in de goot liggen, onder een vuilniszak. We zijn ons er in het verwende Nederland niet elke dag van bewust, maar onze samenleving kent een fantastisch basisniveau van veiligheid en bescherming voor álle burgers.

Dat begint heel fundamenteel bij de basale ordening van onze maatschappij, de democratische rechtsstaat die onze vrijheden en onze rechten beschermt.

Vervolgens hebben we via die rechtsstaat een heel veilige samenleving gecreëerd. Daarin worden we van alle kanten beschermd door wetten, door regels en door toezichthouders. Tegen moord en doodslag, tegen ongevallen thuis, op het werk of in het verkeer, en tegen ziekte.

Daardoor is de kans dat iemand überhaupt iets overkomt in Nederland een stuk kleiner dan in veel andere landen. En als er al wat gebeurt sta je hier bepaald niet alleen voor. Slaat het noodlot onverhoopt toch toe, dan zijn aansprakelijkheid en schadeloosstelling in het algemeen uitstekend geregeld.

De voetganger die op een zebrapad wordt geschept door een onoplettende automobilist en de toevallige passant die wordt getroffen door vallend puin, hebben een groot probleem. Maar ze draaien in elk geval niet zelf op voor de kosten die dat probleem met zich meebrengt.

Deze als vanzelfsprekend ervaren en nauwelijks meer opgemerkte veiligheid noem ik de ‘achtergrond-zekerheid’ in onze samenleving. Daar bovenop hebben onze ouders en grootouders ook nog eens een fantastisch systeem van sociale zekerheid gecreëerd. Iedereen die in Nederland woont betaalt daar belasting en premies voor en iedereen kan erop terugvallen. Ook zzp’ers – al beseft niet iedereen dat die hier een mening over heeft.

Volksverzekeringen

De Zorgverzekeringswet regelt dat iedere Nederlander een basisverzekering heeft tegen ziektekosten. Daarnaast hebben we drie volksverzekeringen: de Participatiewet (voor bijstand en bijzondere bijstand), de Wet langdurige zorg, en de Algemene ouderdomswet.

Buiten dat basispakket aan sociale voorzieningen voor iedereen, zijn er ook nog drie regelingen die specifiek voor werknemers gelden: de Werkloosheidswet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (voorheen de WAO) en het verplichte werknemerspensioen.

Die werknemersverzekeringen worden geregeld en betaald via de werkgever. Zelfstandigen hebben geen werkgever, dus die moeten zelf iets regelen om een terugval in hun inkomen op te kunnen vangen, tijdelijk dan wel permanent.

Andersom zijn er ook regelingen die wel voor zelfstandigen gelden en niet voor werknemers. Zo is er het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen, waar ondernemers een beroep op kunnen doen als het echt heel erg tegenzit met hun bedrijf.

En bij de Eerste Kamer is momenteel een wetsvoorstel in behandeling dat de werking van de Wet minimumloon uitbreidt naar afhankelijke (schijn-)zelfstandigen die werken op overeenkomst van opdracht.

Zelfstandigen staan nu dus sociaal bepaald niet in de kou, in dit land. Ook de groep kwetsbare zzp’ers niet, die van een klein inkomen moeten zien te leven.

60.000 zelfstandigen met wie het echt niet goed gaat

Ondanks die achtergrond-zekerheid en ondanks het stelsel van sociale zekerheid dat zich dus wel degelijk ook uitstrekt tot zelfstandigen, vallen er mensen uit de boot. Dat kan niet de bedoeling zijn, en daar moeten we dus wat aan doen. Maar dat kan alleen maar als we scherp voor ogen hebben om wie het dan wel gaat en om wie niet.

Lang niet alle 1,35 miljoen mensen die volgens het CBS een zzp-inkomen hebben, leiden een beklagenswaardig bestaan. Onder hen zijn er om te beginnen al 553.000 voor wie het zzp-inkomen bijzaak is en die sociaal verzekerd zijn uit hoofde van een betrekking in loondienst, een uitkering, een pensioen of – als zij nog studeren – via hun ouders.

Vervolgens zijn er onder de 797.000 mensen die wel in hoofdzaak van een zzp-inkomen leven, ook nog eens 288.000 die een neveninkomen hebben dat (vaak) rechten op werknemersverzekeringen met zich meebrengt.

Zo komen we op 508.000 zzp’ers die echt alleen een zzp-inkomen hebben. Ook dat is echter weer een allesbehalve homogene groep, met grote verschillen in inkomen en grote verschillen in zekerheid.

Er is een top en een brede middenlaag van zelfstandigen die prima zelf hun zaakjes kunnen regelen en die dat ook doen. Niet altijd door een verzekeringsproduct aan te schaffen, maar daar zijn prima alternatieven voor.

En er is – helaas – een beperkte groep waar het echt niet goed mee gaat en die echt niet zelf zijn risico’s kan managen. Dan hebben we het over 10-15% van het totaal.

Kortom: het zijn geen 1,35 miljoen zelfstandigen waar we ons zorgen over moeten maken en waar extra sociale ondersteuning beschikbaar voor moet komen, maar ‘slechts’ (iedereen is er een te veel) een subgroep van om en nabij de 60.000 mensen.

Spookbeelden

Desondanks worden er spookbeelden geschetst van enorme aantallen zzp’ers die onverzekerd rondlopen, die niet bijdragen aan de potten voor de werknemersverzekeringen, die ‘dus’ het sociale stelsel ondermijnen en die ‘dus’ een tijdbom leggen onder de overheidsfinanciën.

De grootste vrees lijkt te zijn dat de zzp’ers die het nu al zwaar hebben na hun 65e alleen een AOW-pensioen krijgen en ‘dus’ massaal een beroep op de bijstand gaan doen. Dat is niet alleen grote onzin maar ook stemmingmakerij.

Eind 2016 hadden er in dit land 440.000 mensen een bijstandsuitkering. Bij het bereiken van de AOW-leeftijd vervalt die uitkering. Wie dan minder inkomen heeft dan de norm, komt in aanmerking voor de Aanvullende Inkomensondersteuning Ouderen.

Die AIO-regeling kost ons nu op jaarbasis nog geen 240 miljoen euro. Een stijging van het aantal gerechtigden van 40.000 nu tot 60.000 in 2030 is al ingecalculeerd. Dan komen we op 360 miljoen euro. Daar gaan we bepaald niet failliet aan. Hoe zouden we dan als de nood aan de man mocht komen, een toename met nog eens 10% niet kunnen verhapstukken?

Hypocrisie

De vraag dringt zich dan op, waarom er dan toch zo veel tamtam wordt gemaakt over de sociale zekerheid van zelfstandigen, als de problemen op zijn minst betrekkelijk zijn? Voor een deel is dat ongetwijfeld oprechte maar overdreven bezorgdheid. Voor een ander deel, vrees ik, is het echter ook hypocrisie.

Om met die hypocrisie te beginnen: de discussie over sociale zekerheid van zzp’ers wordt van links tot rechts misbruikt als argument in een hele andere discussie, namelijk die over de zogenaamd doorgeschoten flex.

Er zouden te veel flexwerkers zijn en te veel zzp’ers, die zouden goedkoper zijn voor werkgevers, en die zouden daardoor werknemers verdringen uit vaste banen. Als we nou flex en zzp maar duurder zouden maken, dan zouden werkgevers vanzelf weer meer mensen in loondienst gaan nemen.

Hoe kun je zzp het makkelijkst duurder maken? Door zzp’ers te verplichten zich collectief te verzekeren voor arbeidsongeschiktheid, pensioen en misschien ook wel werkloosheid.

Neem het CDA, dat vorig jaar bij monde van Pieter Heerma voorstelde om twee vliegen in een klap te slaan: werkgevers verlossen van de loondoorbetaling bij ziekte door dat voortaan uit de publieke middelen te doen – en die publieke middelen weer aan te vullen door zzp’ers ook te laten betalen voor die collectieve verzekering.

Heerma zei het er zelf bij in de Tweede Kamer: dan worden die zzp’ers ook meteen duurder en dan concurreren ze niet meer met werknemers!

Moderne werkenden vragen om moderne sociale zekerheid

Blijft over de oprechte zorg: er is inderdaad een groep waar we echt wat mee moeten. Die groep is weliswaar beperkt van omvang maar hun problemen zijn serieus. Dat lossen we niet op met aparte verzekeringen voor zzp’ers en andere zelfstandigen die voor de overgrote meerderheid neerkomen op een ordinaire lastenverhoging.

We moeten accepteren dat de vaste baan voor het leven niet meer bestaat. We moeten accepteren dat loondienst niet meer het antwoord op is op elke vraag naar arbeid. En we moeten vooral accepteren dat steeds meer mensen steeds meer zelf verantwoordelijkheid kunnen en willen nemen. Die mensen willen zelf kiezen op welke manier ze de risico’s managen die voortvloeien uit de keuzes die ze maken.

En wat daar de laatste jaren nog eens bij komt: mensen zijn niet meer uitsluitend en hun leven lang werknemer, werkgever of zelfstandige. Dat zijn rollen die die mensen na elkaar spelen in opeenvolgende levensfasen of vaak zelfs naast elkaar tegelijkertijd. Die hybridisering van de arbeidsmarkt wordt belichaamd door de moderne werkende.

Die ontwikkelingen zetten druk op het sociale stelsel zoals we dat nu kennen, met zijn verzekeringen en pensioenen die gekoppeld zijn aan iemands werkgever of hooguit aan de bedrijfstak waarin iemand toevallig werkt.

Tegen de grenzen van dat systeem lopen we nu op. Niet alleen de zzp’ers maar iedere moderne werkende, waarvan er inmiddels al meer dan miljoen zijn en wat er overduidelijk alleen maar meer worden.

Als het bestaande sociale bouwwerk inderdaad faalt omdat het niet meer beantwoordt aan de eisen van deze tijd, is het geen oplossing om het uit te breiden met een bijgebouwtje speciaal voor zzp’ers en andere zelfstandigen.

Zekerheid organiseren rond het individu

Veel duurzamer en dus veruit te prefereren is het, om de oude principes helemaal los te laten en de overgang maken naar een stelsel dat wél toekomstbestendig is. Daarin wordt zekerheid niet meer gekoppeld aan het werk dat mensen doen of aan hun relatie tot de arbeidsmarkt, maar aan het individu.

Dat kan radicaal, met compleet persoonlijke potjes. Maar misschien is het wel slimmer om in elk geval de basis te regelen via collectieve risicodeling. Echt grote klappen (zoals blijvende complete invaliditeit of zo oud worden als Methusalem) kun je nu eenmaal niet in je eentje opvangen.

De overgang maken naar zo’n nieuw stelsel lijkt een hele opgave, maar zo heel moeilijk hoeft het nou ook weer niet te zijn. We hebben zoals gezegd al de Participatiewet (bijstand), de Zorgverzekeringswet (basisverzekering), de Wet Langdurige Zorg, en de Algemene Ouderdomswet.

Dat zijn vier wettelijke regelingen waar iedere Nederlander verplicht premies voor betaalt, inkomensafhankelijk, ook de zzp’er. Mogelijk vinden we het voorzieningenniveau dat daaruit voortvloeit te krap bemeten. Zeker in het geval van de AOW zit daar wel wat in.

Als we willen, dan kunnen we premies voor die verzekeringen en de uitkeringen zo ver verhogen dat wèl voor iedereen een aanvaardbaar minimum is gegarandeerd. Wie behoefte heeft aan meer kan zich daarvoor vrijwillig bijverzekeren.

Zo creëren we een moderne vorm van solidariteit die er niet alleen voor zorgt dat alle werkende Nederlanders bij tegenspoed terug kunnen vallen op dezelfde stevige basis, maar die tegelijk ruimte laat voor eigen verantwoordelijkheid.

Overgangsmaatregelen

Natuurlijk zullen er overgangsmaatregelen nodig zijn. De inleg en de rechten van werknemers die nu in de tweede pijler pensioen opbouwen, zullen moeten verhuizen naar de eerste pijler. Dat kan op zich kostenneutraal.

De rechten en de verplichtingen van zelfstandigen die nu al een oudedagsreserve opbouwen in de derde pijler, moeten worden afgestemd op de hogere opbouw in de eerste.

En in de sociale verzekeringen (met name die tegen de financiële gevolgen van arbeidsongeschiktheid) zal een mogelijkheid tot opt-out moeten zitten voor diegenen uit de huidige generatie die zelf al iets hebben geregeld.

Wie moet de uitvoerder worden, van dat nieuwe stelsel? Zelf heb ik daar niet bij voorbaat een voorkeur in. Belangrijke criteria lijken me dat het effectief, efficiënt, en rechtvaardig gebeurt. Dat kan publiek via de overheid en dat kan privaat via de markt. Beide opties hebben hun voor- en nadelen.

Een eerste versie van dit blog verscheen eerder op Brainnet Werkverkenners   

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *